Kan de curator bepaalde handelingen van vóór het faillissement ongedaan maken?

(art. 12 en 17-21 faillissementswet)

Ja. Men spreekt van een ‘verdachte periode’, of de periode waarin handelingen door de gefailleerde gesteld op verzoek van de curator niet-tegenstelbaar kunnen worden verklaard. Zo wou men handelingen blokkeren die gesteld waren juist voor het faillissement en er louter op gericht waren bepaalde delen van het vermogen aan het faillissement te onttrekken.

Wat is nu die verdachte periode? Het vonnis van faillietverklaring bepaalt de dag waarop de gefailleerde ophield te betalen (de zogenaamde staking van betaling). De wet bepaalt als algemene regel dat de gefailleerde wordt geacht op te houden te betalen vanaf het vonnis van faillietverklaring. In de regel is er dus geen verdachte periode en kan de curator dus geen handelingen van vóór het faillissement ongedaan maken.

Maar het tijdstip van staking van betaling kan toch worden vervroegd door de rechtbank wanneer deze ernstige en objectieve elementen aangeeft die aantonen dat de betalingen hebben opgehouden vóór het vonnis. Zodoende kan men een verdachte periode instellen die maximaal de 6 maanden voor het vonnis omvat.

Artikel 17 van de faillissementswet bepaalt een aantal handelingen die automatisch worden verworpen door de rechter indien ze in de verdachte periode hebben plaatsgevonden. Een voorbeeld is wanneer men goederen in de verdachte periode gratis of zwaar onder de normale prijs heeft weggegeven. Alle andere handelingen die in de verdachte periode plaatsvonden kunnen worden verworpen door de rechter op voorwaarde dat (1) de handeling nadeel heeft berokkend aan de gezamenlijke schuldeisers en (2) de derde(n) kennis had, op de hoogte was dat de schuldenaar had opgehouden te betalen.

Maar ook de rechtshandelingen die gesteld zijn meer dan 6 maanden voor het vonnis kunnen alsnog verworpen worden. Het is de curator die dan een vordering, de zogenaamde ‘faillissementspauliana’, zal instellen in het belang van alle schuldeisers. Er moeten wel twee voorwaarden vervuld zijn vooraleer de handeling zal verworpen worden: (1) de handeling moet nadeel berokkend hebben aan de gezamenlijke schuldeisers en (2) de derden zijn medeplichtig aan het bedrieglijk opzet.