Overbruggingsrecht 4e pijler voor bedrijfsleiders

Het overbruggingsrecht bestaat uit 4 pijlers. De 4e pijler is de jongste en voorziet in rechten gekoppeld aan een stopzetting wegens economische moeilijkheden. Binnen deze pijler zijn er 3 situaties gedefinieerd die wijzen op ‘economische moeilijkheden’:

  1. leefloon ontvangen op het moment van de stopzetting. (Volg volgende link voor meer details over leefloon en overbruggingsrecht.)
  2. of vrijstelling bekomen hebben (in de periode van 12 maanden voorafgaand aan de maand van de stopzetting)
  3. of een inkomen hebben dat de minimumdrempel (voor een hoofdberoep of een maxistatuut, afhankelijk van de situatie) niet overschrijdt gedurende het jaar van de stopzetting en het daaraan voorafgaande jaar.

Volgend artikel behandelt die 3e situatie, maar alleen als het gaat over bedrijfsleiders.

Binnen de laatste situatie (beperkte beroepsinkomsten) worden er vanaf 1/7/17 twee bijkomende voorwaarden opgelegd, enkel voor aanvragers die op het moment van de stopzetting als zaakvoerder, bestuurder of werkend vennoot actief waren. (Die drie activiteitsvormen krijgen van de fiscus de naam 'bedrijfsleider'.)

De voorwaarden moeten – bovenop de algemene voorwaarden - cumulatief vervuld zijn om op deze grond aanspraak te kunnen maken op het overbruggingsrecht:

  1. op het ogenblik van de stopzetting moet er een procedure tot ontbinding en vereffening gestart zijn. Ter controle zal het sociaal verzekeringsfonds de beslissing van het bevoegd orgaan opeisen. (Die beslissing kan neergelegd zijn bij de griffie vennootschappen van de rechtbank van koophandel of gepubliceerd zijn in het Belgisch Staatsblad.)

  2. de vermogensvoordelen (dat zijn dus inkomsten waar geen beroepsprestaties tegenover staan) die de aanvrager ontvangt door de ontbinding en vereffening mogen niet hoger zijn dan 26592,5€. (Dit is het dubbele van de minimumdrempel hoofdberoep. Het vermelde bedrag is geldig in 2017).

Hoe zal het fonds de omvang van deze vermogensvoordelen bepalen?

  • A. Forfaitair. Het percentage van de aandelen dat de aanvrager bezit, moet vermenigvuldigd worden met het balanstotaal van het voorlaatste afgesloten boekjaar
    • (Het is aan de aanvrager om het percentage van aandelenbezit aan te tonen. Tot bewijs van het tegendeel wordt de aanvrager geacht 100% van de aandelen te bezitten.
    • Het balanstotaal kan men in principe opzoeken via de online balanscentrale van de Nationale Bank)
  • B. Afwijking van het forfait. De berekening op basis van het balanstotaal van het voorlaatste afgesloten boekjaar is indicatief.
    • Het KB stelt immers dat: “Indien de vermogensvoordelen berekend op basis van het balanstotaal van het voorlaatste afgesloten boekjaar niet overeenstemmen met de vermogensvoordelen die de aanvrager meent daadwerkelijk uit de vereffening te bekomen, heeft de aanvrager de mogelijkheid om op basis van objectieve elementen aan te tonen dat het slechtere resultaat het gevolg is van economische moeilijkheden die zich sinds het voorlaatste afgesloten boekjaar hebben voorgedaan of schulden die het balanstotaal van het lopende boekjaar negatief hebben beïnvloed”. Hoe het bevoegde fonds die objectieve elementen zal beoordelen, is niet meteen duidelijk.

Deze wijziging is van toepassing op de stopzettingen vanaf 1 juli 2017.

Failliet Menulink: